Nieuwstadt (Limburgs: De Nuujsjtadt      

De plaats ontving in de 13e eeuw stadsrechten en kan dus historisch worden gezien als een stad.Nieuwstadt is een stadje in het midden van Nederlands-Limburg met 3.345 inwoners.

Nadat het in de 16e eeuw werd opgenomen in het Gelderseambt Montfort, werd het in de Franse tijd een zelfstandige gemeente.

In 1982 werd Nieuwstadt onderdeel van de gemeente Susteren en in 2003 van de gemeente Echt-Susteren.

 

Geschiedenis.

Nieuwstadt ontving stadsrechten in 1263 van graaf Otto II van Gelre. Daarna kreeg de stad een stadsmuur en gracht als versterking.

In een akte, opgemaakt op 3 augustus 1277, wordt Nieuwstadt voor het eerst op papier genoemd als ‘Nova Villa apud Elsene’ (ook wel Helsene of Helsena) hetgeen betekent “Nieuwe stad aan (of op) Elsene”. Er is een theorie dat ooit in een ver verleden een dorp of nederzetting ‘Elsene’ is verwoest door brand of geweld, en daarna geheel naast de oude resten is herbouwd en vervolgens dus ‘Nieuwe Stad’ is genoemd. In genoemde akte staat dat Hendrik III van Gelre, Heer van Montfort, zijn bezit: “kasteel Montfort en enige andere plaatsen met onder meer Nieuwstadt”, bij erfenis overdraagt zijn neef Reinoud I van Gelre.

 

Ville nouvelle.

Nieuwstadt bezat enkele belangrijke uiterlijke kenmerken van een stad in de Middeleeuwen maar is naar huidige maatstaven nauwelijks een stad te noemen. Nieuwstadt is een typisch voorbeeld van een ville nouvelle, een geplande stad. “Nouvelle villes” of “novae villae” zijn steden of dorpen die hun ontstaan danken aan ontginning door kolonisten, gelokt door een vorm van vrijheid die in het feodaal domein niet bestond. De stichter van een dergelijk ville was steeds de eigenaar van een groot aantal stukken grond. Om van zijn ‘nieuwe stad’ een succes te maken gaf hij hen een ruime mate van vrijheid waardoor ze gespaard bleven van allerlei verplichtingen, karweien of herendiensten. Vaak moesten ze alleen maar een bepaalde vorm van belasting (‘cijns’ genaamd) betalen – vaak in natura – voor het stuk grond wat ze mochten bebouwen. Het gebied van de heer was opgedeeld in stukken grond die aan boeren waren toegewezen en elke boer besteedde al zijn tijd aan zijn ‘eigen’ stuk grond. In 1294 telde Nieuwstadt 314 ‘area’ (= hofsteden) ofwel kleine huissteden of huisplaatsen. Dat verklaart wellicht dat men zelfs nu nog vaak spreekt van “de“ Nieuwstadt (en de Limburgse naam voor Nieuwstadt is “De Nuujsjtadt”), want die ‘nouvelles villes’ worden in heel Europa vaak vooraf gegaan door een lidwoord. Dat dit lidwoord voor Nieuwstadt vanaf het begin werd gebruikt blijkt uit tal van teksten.

 

Stratenplan.

Het 13e eeuwse stratenplan is bewaard gebleven. Van de grachten en van de wallen is niet zoveel meer te zien, maar een van de plekken waar het deze wel te zien zijn, is de open ruimte rond Huis Witham. Van de veldzijde gezien vormt deze ruimte de zuidrand van de stad Nieuwstadt.

 

Vestingstad.

Reeds in de akte, opgemaakt op 3 augustus 1277, waarin Nieuwstadt voor het eerst schriftelijk wordt genoemd ligt de eerste verwijzing naar Nieuwstadt als mogelijke vestingstad. Dat blijkt onder andere uit de aanduiding als Novum oppidum. Volgens G.Venner is Nieuwstadt nog het meest bekend als vesting.

In de rijmkroniek betreffende de slag van Woeringen, geschreven door Jan van Heelu rond 1292 staat dat in 1286 tijdens de aanloop op de slag dat de hertog van Gelre zich terug trok in “sine veste” en die was gelegen “ter Nuwer Stat”. Er waren verdedigingswerken, zoals een stadsmuur en poorten. Een aantal straatnamen van nu herinneren hier nog aan: St. Janswal, St. Maartenswal, St. Brigidawal, Millenerpoort, Haverterpoort en Susterderpoort. Er is een aanwijzing dat er rond 1400 nog een aarden wal was aangezien de hertog in 1398 bevel gaf “die stat te mynren ind aff te graven”.

Vanwege deze verdedigingswerken werd het regelmatig in oorlogshandelingen betrokken. In 1398 was het een belangrijke militaire vesting in de strijd tussen Gelre en Luik om het Kasteel Millen. In hetzelfde jaar stak de hertog van Brabant de vesting in brand om te voorkomen dat de Brabanders de stad zouden belegeren en daarna plunderen. Maar er bestaat toch enige twijfel of dat wel echt gebeurd is.

Toch bleven de defensieve artefacten enigszins belangrijk. In 1583 werden tijdens een slag de wallen en poorten verwoest. Ze werden niet meer opgebouwd en Nieuwstadt verloor de betekenis als militaire vesting. De welvaart en groei kwamen tot stilstand en liepen zelfs terug. De stadsrechten bleven echter wel behouden. Keer op keer werd Nieuwstadt en omgeving het slachtoffer van plundering en verwoesting ongeacht of het door een vijand of een bondgenoot was. Nieuwstadt groeide nauwelijks en ook haar aanzien veranderde weinig. Wel werd een ruimere omwalling aangelegd en een tweede gracht gegraven waarvan de sporen in Nieuwstadt te zien zijn. In een latere fase werden de stadsmuren gesloopt. Stenen omwallingen en stadspoorten vervielen tot een ruïne of werden gesloopt.

Als Nieuwstadt al vestingstad genoemd kan worden dan blijft dat vestingkarakter beperkt tot natte grachten, muren en poorten. Het is onbekend hoe die muren eruitzagen. Samenvattend kan men stellen dat Nieuwstadt de potentie had om een vestingstad te worden, maar de aanwezige elementen zijn in militair opzicht te beperkt om van een vestingstad te kunnen spreken. Het is net als bij de discussie over de stadsrechten: de componenten zijn in kiem aanwezig maar zijn nooit volgroeid. Misschien is het beter om over Nieuwstadt te spreken als een nederzetting met defensieve elementen, een goed verdedigbare nederzetting.

 

Ambt Montfort.

Het ambt Montfort maakte deel uit van Opper-Gelre; en omvatte verder Nieuwstadt, Echt, Roosteren, Linne, Sint Odiliënberg, Posterholt en Vlodrop. Het belang van Nieuwstadt was echter vrij klein. Tot 1715 bleef Nieuwstadt in Spaans Gelders bezit. Daarna ging het over in het Staats- Gelderse grondgebied van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tijdens de Franse overheersing werd in 1794 Nieuwstadt een zelfstandige gemeente in het departement Nedermaas. Door een bepaling van het Congres van Wenen kreeg Nieuwstadt in 1815 uitbreiding. Door een grenscorrectie waarbij het riviertje ‘de Roode beek’ als grens werd bepaald, werd een klein stukje Duitsland toegevoegd. Deze grens bestaat nog altijd. Op deze grens ligt een watermolen, de Millenermolen, waarvan de voormalige oliemolen op de Duitse oever ligt; de korenmolen ligt op de Nederlandse oever, evenals het kasteel, Haus Millen.